Ik ben geen stapper, zeg ik altijd, ik ben een fietser. Maar misschien moet ik dat herzien. Door mijn bezoekjes aan Skeponi (in de bergen) van de laatste tijd heb ik veel meer gestapt dan dat ik gewend ben, en ik vind het steeds fijner.
Gewoon, alleen, de ene stap na de andere zetten.
Soms stop ik even om van het uitzicht te genieten, maar meestal kijk ik naar de grond. Het is immers een heel oneffen weg, met grote en kleinere losliggende rotsen en stenen. Dus ik moet uitkijken waar ik loop.
Het laatste gedeelte is zelfs geen weg meer, maar een pad dat de wellicht ooit door de geiten werd gevonden/gevormd. En dat, aan de bolletjes te zien, ook nu nog door hen wordt gebruikt. Daar is het helemaal met alle aandacht naar de ondergrond. Elke stap is een zoeken naar de juiste steun. Het is kijken naar de volgende rots om een stukje hoger te kunnen klimmen, of naar de plekken waar het, ondertussen verdorde, lichtbruine gras, is platgetrapt. Het is uitkijken om de bloemetjes die hier en daar toch overleven niet te schenden. Het is met de volle aandacht hier-en-nu zijn.

Hier moet ik geen moeite doen om niet in mijn hoofd te verdwalen. Hier ben ik alleen, met de zon, met de wind, met de rotsen, de bomen, de grassen en het zand. En natuurlijk ook met de krekels. En af en toe een grote vogel. Dan vind ik het spijtig dat ik daar niet meer van ken. Maar ik weet als ze vleugels hebben, met zo’n spanwijdte dan moet het iets zijn in de trant van een arend of zo. Als ik me omdraai heb ik ook zicht op de zee. In de verte. Maar zelfs als ik ze niet zie, kan ik ze voelen, ruiken.

En de belletjes van de geiten natuurlijk, die zijn er ook. Dat is zo heerlijk. Altijd hoor je wel ergens een belletje rinkelen. Het is onbegonnen werk om ze te zoeken tegen de bergflank. De rotsen, en struiken in alle tinten bruin-groen-grijs verbergen ze goed. Soms als je blijft kijken, zie je er wel een paar, maar als je ze zoekt op basis van het geluid loopt het mis. Door de vorm van de bergen zorgen de weerkaatsingen immers voor afleidingsmanoevers.

Ik ben er dus van beginnen houden, van mijn wandelingetjes. Dit smaakt naar meer. En ja, ik zal altijd een fietser blijven. Dat is sneller en efficiënter. En makkelijker in zekere zin. Maar ik daag mezelf uit om meer te gaan stappen. Ik moet dan meteen denken aan de Camino die mijn vriendinnetje liep (zie het boek ‘Twee miljoen stappen naar mezelf’ van Freya Van den Bossche). En zover zal het wellicht nooit komen. Maar ik kan hier op het eiland wel mijn eigen mini-camino doen.
Ik voel alleszins hoe deze uitstapjes me dichter bij mezelf brengen.

Het is ook wel confronterend om te merken dat het competitieve stukje in mij, zich soms ook wil moeien. En wil timen, of ik deze keer sneller boven ben dan de vorige. Ik spreek er zachtjes tegen. ‘Het is geen wedstrijd. Ik moet niets bewijzen, aan niemand. Ik arriveer als ik arriveer.’ En als ik op mijn eigen, veilige tempo ga, arriveer ik tenminste samen met mezelf. En dat is misschien wel een nieuw gegeven voor mij.

Dus ja, ik voel de stapper in mij wakker worden. De rustige stapper, die daar is en dan en geniet.

About the author

Leave a Reply

I Ousía gebruikt cookies om u een zo goed mogelijke service te bieden. Door verder te gaan op onze website accepteert u deze cookies en ons privacy beleid.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close